|
Met de vlieg op flint
Maar ruil de L even ja! Zelfs op de markt in Leeuwarden hebben ze bij de visboer flint te koop, ten minste zo stond er geschreven. Ook bij Karel van de Fuik spraken enkele lieden over het vissen op flint. Fint bedoel je, riep ik. Nee, flint was het. Die fint van mij was volgens hem een ander soort vis.
Sander had weer eens gebeld. Zeebaars of geep vissen bij Den Helder stond op het menu. 's Morgens veel te vroeg weg. In de buurt van Kornwerderzand, besluiten we even bij de uitlaat van de spuisluizen te koekeloeren. Daar vissen twee Leeuwarders. Een ervan kijkt mij aan en roept: "Heee, dei ken ik, dou bist diegene die wel vaak bij Laverman aan ut vliegvissen is." (restaurant de Grote Wielen bestaat inmiddels niet meer) Zij vissen met lichte spinhengels plus dobber en ongeveer een meter zink met een spiering als aas.
Er staat niet veel stroming want de deuren zijn gesloten (hoog Water). Ook zij vissen op flint!!!
Het duurt niet lang voordat het dobbertje scheef onder water wordt getrokken. Ze staan vrij hoog, zo'n vier meter, boven het water op de betonnen rand van de uitlaat te vissen. De haak wordt gezet en de vis duikt naar beneden. Na enige tijd wordt de vis naar boven getakeld, tenminste twee meter. Dan breekt de lijn. Sander en ik kijken elkaar verbaasd aan. De verspeelde vis blijkt een echte zeeforel van zo'n 50 centimeter te zijn. Jammer deze vis hadden we wel even van dichtbij willen bekijken. Ze vissen met veertienhonderste nylon, lekker sportief heet dat. Ik zie dat de forel moet vechten voor zijn leven. Hij ligt op zijn zij en probeert in balans te komen en gelukkig lukt dat na korte tijd.
"Ik dank u!!" Heb je sportief vissen, en dan deze nog: "Ik vis niet te dik anders verjaag.
je de vis." Om je dood te lachen! Zit daar zo'n enorme haak in bijvoorbeeld een spiering of vlieg, streamer, hoe dan ook, komt er een vis aangezwommen, bestudeert het geheel, ziet plotseling een vislijn en roept: "Wegwezen hier!" Of wij ook op flint gaan vissen vraagt een van de stadjes. Nou ja, als die er zijn. Ik vertel hem dat we op doorreis zijn naar Den Helder. Waar vissen jullie dan op wilde hij weten. Onze bedoeling is zeebaars en gleep. Geep bedoel je zeker, ja, ja dat bedoelen we. We groeten de heren en klimmen als berggeiten de dijk weer op. "Zeg Sander, wat is het eigenlijk, geite- of geitenlul? "Geitenlul." "Nee hoor, bokkenlul!", lach ik.
In Den Helder bij Fort Kijkduin aangekomen. Het is nog vroeg, dus ruimte zat om te parkeren. Rugzak met eten, drinken, vliegvis- en spinvismateriaal mee en een strekdam uitzoeken. Het is doodtij, dus van de poetvissers geen enkel spoor te bekennen. Geen stroming geen zeebaars! Volgens Dezen. Ik besluit bij de tweede strekdam vanaf het fort te gaan vissen (dus richting zuid). Sander loopt verder en neemt de derde strekdam. Deze heeft een houten paal op de kop. Mijn strekdam wijkt licht richting noord. Aan de noordelijke kant bij de kop van de dam bevinden zich vele dikke keien en hier is het dus oppassen geblazen. Sander heeft voor de spinhengel met een dertig grams jigkop met twisterstaart gekozen. Zelf vis ik met een abu lepel van twintig gram. Al een tijdje komt het water op. Wat heet opkomen, dat houdt met 8 emmers water wel op denk ik. Wat een dooie boel dat doodtij. Zeven uren helemaal niets gevangen. Nadat deze acht emmers weer weg zijn gehaald besluiten we te stoppen.
Op de terugtocht komen we een collega-sportvisser tegen. Nee, het is niet best vandaag, maar gister hebben ze hier een tiental flinten gevangen. En ik maar denken dat die alleen maar in Fliesland voorkomen. Tijdens het verloop van het gesprek valt mij op dat de man het middengedeelte van zijn lippen stijf op elkaar houdt. Waarschijnlijk heeft hij gouden voortanden en vertrouwd ons niet helemaal. Het stemgeluid perst zich door de mondhoeken naar buiten en elke keer komt er wat speeksel mee. Hij staat goed waterpas, want uit beide mondhoeken komt evenveel vocht. Schuimbekje is zijn naam en hij is een kennis van Siep Braaksma weet Sander te vertellen. Siep Braaksma? ...wie was dat ook weer. Welnu, ze kennen elkaar van het vliegvissen in de Hofmanhaven (eind april begin mei). Dat vissen is te vergelijken met het vissen in diezelfde periode in het IJsselmeer bij Kornwerd. We zijn op de weg terug. Het monotone geronk van de motor doet me ontspannen. Ver weg mekkert Sander iets van: "Kut, weer dat hele eind voor niets gereden, geen fint, geen zeebaars, geen geep niks."
De fint (Alosa fallax) Net als de elft is de fint een haringachtige, anadrome vis die zich voornamelijk in zee ophoudt en alleen om te paaien massaal het zoete water opzoekt. De fint is kleiner dan de elft. Het doorslaggevende verschil met de elft is het aantal kieuwboogaanhangsels: meestal vijfendertig tot vijfenveertig maar altijd minder dan zestig. De fint kan tot zestig centimeter lang worden. Ook in kleur en tekening lijkt de fint op de elft, maar de donkere vlekken op de flanken van de fint lichten meer op. De fint groeit vrij snel, na vijf jaar heeft hij een lengte van zo'n veertig centimeter. Het is een trekvis die kuit schiet in zoet water ongeveer een maand later dan de elft. De mannetjes zijn volwassen na twee tot drie jaar, de vrouwtjes na vier tot vijf jaar. Fint zwemt minder ver de rivieren op dan de elft, die vroeger tot wel zevenhonderd kilometer ver de Rijn optrok. De volwassen vissen nemen tijdens de trek weinig voedsel op en leggen per dag zo'n vijf kilometer af. Ze doen twintig tot veertig dagen over hun tocht en bereiken een afstand van honderd tot honderdtwintig kilometer stroomopwaarts. Bij een temperatuur van negentien graden Celsius ontwikkelen de embryo's zich in vier tot vijf dagen. In de herfst laten de jonge vissen zich door de stroom meevoeren tot de monding van de rivier, waar ze de winter doorbrengen en zich vervolgens naar open zee begeven waar ze volwassen worden.
De fint voedt zich met dierlijk plankton en later ook met visjes. De paaitijd valt in mei en juni. De jonge fint kan zich alleen in het zoetwatergetijdengebied handhaven dankzij het getij. Bij eb zoeken de jonge finten de bodem op, bij opkomend tij wordt de rivierstroming vertraagd en kunnen de jonge finten hoger in de waterkolom foerageren. Indien dit samenspel van eb en vloed ontbreekt, worden de jonge finten de rivier uitgespoeld.
Watervervuiling met slib (slecht voor de eieren), maar vooral het Deltaplan betekenden het definitieve einde voor de fint als trekvis in de Rijn. Met name de aanleg van de Haringvliet- en de Volkerakdam maakten een eind aan de getijdenbeweging.
In Groot Brittanië zijn zeker nog zeven rivieren met paaiplaatsen. Verder in de Elbe-monding bij Stade, de Garonne, de Dordogne en de Rhone. In Nederland komt de fint in kleine aantallen voor langs de kust en in de grote rivieren. Het betreft vangsten in vooral de Nieuwe Waterweg, Haringvliet en Noord-Zeekanaal. Er worden ook vangsten gemeld bij de Afsluitdijk, de Lek en de Maas. Wat mij betreft zijn de spuisluizen (Kornwerderzand) ook het vermelden waard.
Zomer 1996. Het is augustus en zeer warm (ik kan er ook niks aan doen). Sjaak en ik hebben enkele uren gevist in de zandafgraving bij Joure. Gebroederlijk staan we naast elkaar. Vele jaren lang zijn we naar Denemarken gereden om daar de zeeforellen te pesten. Ik mag hem wel die Sjaak, aardige, rustige en sympathieke knaap. Altijd in voor een geintje en wordt nooit kwaad. Hij is niet gewoon een bekende. Hij is meer dan dat. Hij is een vriend, een echte vriend of zelfs nog een kamaraad en bla, bla, bla..
"Have a break." Ik dank u! Sjaak stelt voor een pizza te gaan eten, om daarna nog ergens anders proberen een vis te vangen. Dat is goed zeg ik, dan weet ik wel waar.
Het IJsselmeerwater dreunt het wad in. Visdiefjes, sterntjes en zeemeeuwen plonzen in het water en doen zich te goed aan jonge vis die wegvlucht voor iets dat van de andere kant komt. Het doet mij denken aan een grote snelstromende rivier. De jagende vis pakt de prooivis in de waterspiegel en dat lijkt op het azen van forel op droge vliegen. Sjaak werpt zijn lepel in de volle stroming en haakt gelijk een vis. De vis wordt omhoog getakeld en blijkt een fint te zijn. Snel klauter ik met mijn vliegenhengel naar beneden. Het is spekglad en ik doe mijn schoenen uit. Sjaak is inmiddels met zijn tweede vis bezig, en zijn derde en vierde en vijfde en ik heb nog niks (zeer ongebruikelijk). Maar ja, dat kon ook moeilijk anders want ik ben constant bezig de streamer uit de snavel te houden van de vogels. Gewoon even een vangen en je bent er vanaf. Maar ja, dat las ik in De Pompemich nummer negentien en die was toen nog lang niet uit. Een snelzinkende lijn heb ik nodig en die ligt in de auto. Tien minuten lopen. Zo zie je maar weer, beter mee, dan om verlegen. Het is laag water en ik sta weer helemaal beneden. De zinkende lijn valt dwars op de stroom en neemt de streamer mee naar beneden. Op het eind van de drift heb ik het meeste succes. De aanbeten zijn fel en de vis springt regelmatig boven het water uit. Op een aftma vijf of zes hengel een prima sportvis. De meeste zijn zo rond de 45 centimeter. Je kunt ze het beste onthaken door ze met duim of wijsvinger in de bek te pakken. Dit in verband met het makkelijk loslaten van de schubben. We hebben het de jaren erna vaak geprobeerd maar steeds slecht gevangen. Plotseling realiseer ik me dat ik in slaap ben gevallen. Sander gilt plotseling: "Een vallende ster, een vallende ster." Dan mag je volgens Sander een wens doen. "Pas maar op." waarschuw ik hem. Hij kijkt mij verbaasd aan. "Straks knalt er een zeebaars van vijf kilo door onze voorruit."
Simon van der Veen
|